1.            Akkoord over verplichte AOV voor zzp’er
Organisaties van werkgevers en werknemers hebben een akkoord bereikt over een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zzp’ers. Het streven is de verzekering per 2024 in te laten gaan.

De uitkering bij arbeidsongeschiktheid wordt een vast bedrag en bedraagt € 1.650 bruto, gelijk aan het minimumloon. De verzekeringspremie wordt echter wel inkomensafhankelijk. Deze gaat naar schatting maximaal € 200 bruto per maand bedragen. De premie is fiscaal aftrekbaar.

Er gaat bovendien een wachttijd gelden. Een zzp’er kan kiezen voor een wachttijd van zes maanden, een jaar of twee jaar. Standaard bedraagt de wachttijd een jaar. Een langere wachttijd levert een lagere premie op. Let op: de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt verplicht voor zzp’ers en loopt door tot aan de AOW-leeftijd. Wel kunnen degenen die al een AOV-verzekering hebben of zich liever zelf verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid, vrijstelling krijgen. Let op: dit akkoord is nog niet definitief.

2.            Meldingsplicht buitenlandse transporteur per 1 maart
Buitenlandse transporteurs die in Nederland goederen vervoeren, zijn vanaf 1 maart 2020 verplicht dit te melden. Een uitzondering geldt als de goederen alleen door Nederland vervoerd worden, zonder te laden of te lossen. De meldingsplicht geldt voor buitenlandse werkgevers en zelfstandigen uit de Europese Unie, een ander land binnen de Europese Economische Ruimte (EER) of Zwitserland.

U bent vanaf 1 maart 2020 verplicht uw nieuwe diensten te melden. U kunt diensten die op of na 1 maart beginnen echter al vanaf 10 februari 2020 melden. U kunt gebruikmaken van de jaarmelding als u als dienstverrichter of zelfstandige werkzaam bent in de sector Goederenvervoer over de weg (SBI H 49.4). Dit geldt ook als u in opdracht van een in Nederland gevestigd bedrijf diensten levert. In deze gevallen hoeft u zich maar één keer per jaar te melden.

Voor meldingen is een speciale website beschikbaar. Meldingen dient u digitaal in te dienen. Dit kan onder meer met behulp van eHerkenning. De meldingsplicht geldt niet voor personenvervoer en voor vervoer over het water.

3.            Partners krijgen extra geboorteverlof
Vanaf 1 juli 2020 heeft een partner bij de geboorte van een kind recht op maximaal vijf weken extra verlof. Dit verlof komt dus boven op het betaalde verlof van één week, dat al sinds 2019 bestaat. Voor deze periode van vijf weken krijgen partners via het UWV een uitkering van 70% van het dagloon tot het maximumdagloon. In de eerste verlofweek moet u als werkgever het loon gewoon doorbetalen.

Het UWV betaalt het geboorteverlof over de extra vijf weken rechtstreeks aan de werknemer of via u als werkgever. Betaalt u de UWV-uitkering zonder aanvulling door aan uw werknemer, dan is er sprake van gedeeltelijk betaald verlof. Dit dient u aan te geven in de rubriek Code incidentele inkomstenvermindering met de waarde ‘G’ (Aanvullend geboorteverlof).

Als een werknemer het extra geboorteverlof wil benutten, dient u dit voor hem of haar aan te vragen bij het UWV. Let op: het extra geboorteverlof dient binnen zes maanden na de geboorte van het kind te worden opgenomen. De eerste week geboorteverlof, die gewoon wordt doorbetaald, moet binnen vier weken na de geboorte worden opgenomen.

4.            LIV en LKV: check berekening
Als u als werkgever recht heeft op bepaalde tegemoetkomingen in de loonkosten, ontvangt u hierover uiterlijk in maart bericht van de Belastingdienst. Dit bericht bevat een berekening van de toegekende bedragen. Check deze goed, want u kunt ze indien nodig tot 1 mei 2020 rectificeren.

Voor werknemers met een gemiddeld uurloon tussen € 10,05 en € 12,58 in 2019 kunt u recht hebben op het lage-inkomensvoordeel. Bij een uurloon van € 10,05 t/m € 11,07 bedraagt de tegemoetkoming € 1,01 per uur en maximaal € 2.000 per werknemer per jaar. Bij een uurloon van € 11,08 t/m € 12,58 is de tegemoetkoming € 0,51 per uur, met een maximum van € 1.000 per jaar. Een belangrijke voorwaarde is dat de werknemer in 2019 minstens 1.248 verloonde uren heeft.

Ook als u als werkgever voor het jaar 2019 voor werknemers recht heeft op het loonkostenvoordeel, ontvangt u hiervan uiterlijk 15 maart een berekening. Het LKV is een tegemoetkoming in de loonkosten van oudere en arbeidsbeperkte werknemers. Het LKV kan maximaal € 3,05 per uur bedragen en maximaal € 6.000 per jaar.

5.            In 2020 eHerkenning nog niet verplicht voor btw-aangifte
Voor het indienen van de btw-aangifte is dit jaar nog geen eHerkenning vereist. EHerkenning zou vanaf 1 januari 2020 verplicht worden voor het doen van de aangifte vennootschapsbelasting en loonheffing. Voor de loonheffing is inmiddels echter besloten tot uitstel tot 1 juli, voor ondernemers die hiervoor eHerkenning niet eerder gebruikt hebben. Voor de aangifte vennootschapsbelasting kunnen belastingplichtigen zelf uitstel aanvragen.

EHerkenning is een veilig gedigitaliseerd communicatiemiddel waarmee inmiddels met enige honderden overheidsinstanties gecommuniceerd kan worden. Het gebruik ervan is echter niet kosteloos. Genoemde verplichtingen hebben vanwege de kosten inmiddels tot veel ophef geleid. Daarom heeft staatssecretaris Vijlbrief de Tweede Kamer bij brief nader geïnformeerd. In deze brief staat ook dat de verplichting tot gebruik van eHerkenning dit jaar nog niet wordt ingevoerd. Let op: dit betekent dat u gebruik moet maken van het zogenaamde oude portaal van de Belastingdienst.

6.            Belastingdienst gaat zzp’ers bouw en zorg strenger controleren
De Belastingdienst start in een deel van de bouw- en zorgsector met specifiek toezicht wat betreft de vraag of er al dan niet sprake is van een dienstbetrekking. Het komt namelijk regelmatig voor dat men er ten onrechte van uitgaat dat dit niet het geval is. In die gevallen wordt er ook ten onrechte geen loonheffing en premie ingehouden.

In een brief geeft staatssecretaris Vijlbrief aan dat er niet alleen sprake is van controle. De Belastingdienst geeft ook voorlichting en biedt duidelijkheid rond de vraag wanneer een arbeidsrelatie volgens de huidige wet wel of geen dienstbetrekking is.

Bij de sectorspecifieke benadering werkt de Belastingdienst samen met branche- of koepelorganisaties. Omdat een sectorspecifieke benadering een bepaalde kennis van medewerkers van de Belastingdienst vereist, is met een beperkt aantal sectoren gestart, waaronder de bouw.